Nieuwjaar 2021: besmettelijk

Op de eerste dag van 2021 denken we bij “besmettelijk” natuurlijk als eerste aan het Coronavirus en het R-getal. Een nieuwe variant van het virus, zo’n 56% besmettelijker dan het heersende, wist nog net voor de brexit het verenigd koninkrijk te verlaten. Dat belooft niet veel goeds voor een land waar we er slechts met veel pijn en moeite in slaagden de R rond de 1 te krijgen. Niet alleen het virus is besmettelijk, maar ook de virus- en maatregelenvermoeidheid. Gaandeweg 2020 trokken we ons stapje voor stapje steeds minder aan van de maatregelen. Zoals mensen gewoon zijn keken we om ons heen om te zien wat het passende gedrag was en bespraken dat de maatregelen misschien toch wel erg draconisch waren en voor onze specifieke situatie eigenlijk niet zo heel goed passend. Tegelijkertijd geloofden we maar wat graag dat de besmettelijkheid van het virus niet van zijn fysieke en biologische eigenschappen afhankelijk is, maar van de leeftijd van de verspreider. Voor wat “kon” keken we maar liever naar wat een trouwende minister blijkbaar vond kunnen dan naar het verspreidingsgedrag van het virus. Een voorbeeld om schande van te spreken. Een voorbeeld om na te volgen.

Net als ziektes tonen ideeën en gedrag besmettelijke eigenschappen. Een paar decennia al voor de breed gedeelde grappige plaatjes en filmpjes introduceerde Richard Dawkins het begrip memes. De ideeënvariant van genes, overdraagbare ideeën en gedragingen. Net als genen open voor kleine veranderingen en gehoorzamend aan de wet van de overleving van de best passende. Kleine veranderingen die goed passen bij de omstandigheden verspreiden zich verder, slecht passende veranderingen planten zich niet voort en sterven daarom uit. Memes leven niet in een vacuüm. Tradities als slavernij en kinderarbeid bleken slecht bestand tegen opkomende ideeen als democratie, rechtsstaat en rechten op onderwijs, zelfbeschikking en lichamelijke integriteit.

Als naturisten bevinden we ons ook aan de frontlinie tussen traditie en veranderende inzichten. Er is de traditie van het dragen van kleding, ook als het weer daar geen aanleiding toe biedt. Er is het inzicht dat bescherming tegen kou niet nodig is als het warm is. Er is de traditie om kleine stukjes lichaam met kleding te bedekken als we “zo bloot mogelijk” willen omdat het warm is. Er is de observatie dat de oppervlakte die afgedekt hoort te worden in de loop der jaren steeds verder bleek te slinken.

Er was het inzicht dat al die kleding meer met ons doet dan bescherming bieden tegen de elementen. Kleding bleek een belangrijk signaal te zijn van maatschappelijke positie. Het maakt het mogelijk om iemand die je nog nooit eerder gezien hebt meteen vol vooroordelen tegemoet te treden. Het is immers direct duidelijk of je te maken hebt met een hippie, een kakker, een modieuze leeghoofd of iemand op het bestaansminimum.

Kleding bleek ook heel geschikt om imperfecties aan het zicht te onttrekken. Alleen bij je eigen blote lichaam zie je nog de wratten, pukkels, vetrolletjes, bierbuikjes, beharing, littekens en “te grote” of “te kleine” lichaamsdelen. Iedereen lijkt er perfect uit te zien, behalve jij zelf. Het is een waanidee, voluit versterkt door de posts op sociale media als Facebook, Instagram en Twitter. Ook waanideeën zijn memes, en we vergiftigen onze gedachten er graag mee.

Woodstock deed veel om bloot zijn te normaliseren. Het waren dan misschien wel hippies, maar ze leken wel erg veel plezier te hebben. Bovendien werden ze niet getroffen door de bliksem. Desondanks sloeg het idee bij slechts een deel van de bevolking aan, maar dat was wel een actief deel. Er werden naturistische verenigingen opgericht (Lotus dateert van 1968 en is een jaartje ouder dan Woodstock), er werd gestreden voor naaktstranden. In de jaren zeventig werden beiden steeds meer bezocht, maar op het niet-naaktstrand bleven borsten en billen bedekt. Dat veranderde in de jaren tachtig toen de stranden veranderden in een zee van blote borsten. Bloot was geaccepteerd, ook onder de niet-naturisten. Alleen een broekje was de gangbare kleding op het strand. De trend was duidelijk: er ging steeds meer kleding uit en wie een keer iets had uitgetrokken trok het niet zonder goede reden meer aan. Iedereen zag om zich heen hoe het hoorde: zonder badkleding. Iedereen hoorde de voordelen: geen plakkerig nat textiel dat aan je kleefde met het nodige schurende zand tussen huid en textiel. Iedereen voelde de nadelen van badkleding; je was ouderwets en preuts als je niet zonder durfde. Dat wilde niemand zijn.

De acceptatie van bloot was besmettelijk. Als iemand er mee begon volgde de omgeving al snel. De opmars van bloot kon eigenlijk nog maar door een ding gestopt worden, een nieuw besmettelijk idee. Nederland was de angst kwijtgeraakt om vrienden, familie of collega’s bloot tegen te komen, maar er kwam een nieuwe angst voor in de plaats. Het was een oude angst in een nieuw jasje; de angst om bloot gezien te worden. Eind jaren negentig begon het gebruik van internet mainstream te worden, net als het gebruik van mobiele telefoons. In de race om de klant begonnen de fabrikanten van mobiele telefoons camera’s in te bouwen en in no time beschikte het leeuwendeel van de bevolking over een onopvallende camera. Bloot op internet komen werd een heel reële optie voor iedereen die zich in het openbaar bloot vertoonde.

Ideeën komen en gaan. De onwrikbare traditie van vandaag is morgen een onbegrijpelijke gewoonte. Iedereen is voor verandering, maar iedereen vindt veranderen ook moeilijk, zeker als je de eerste bent. Waarom vonden we het nog niet zo lang geleden niet eng om in levende lijve gezien te worden door bekende ogen? Waarom vinden we het nu een onverdraaglijk idee dat een foto waar we vrij, blij en bloot op staan ergens op internet te zien is?